De rechtbank Den Haag behandelde op 23 november 2022 het verzoek tot beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder over een minderjarige die sinds 2019 uit huis is geplaatst wegens een instabiele opvoedomgeving. De minderjarige verblijft al geruime tijd bij een gezinshuisouder waar zij zich positief ontwikkelt. De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling verzochten het gezag van de moeder te beëindigen en de voogdij aan de gecertificeerde instelling toe te wijzen.
De moeder kampt met een alcoholverslaving en persoonlijke problematiek, waardoor zij niet in staat is om aan de opvoedbehoeften van de minderjarige te voldoen. Ondanks hulpverlening is zij onvoldoende stabiel en wisselt zij in haar houding ten aanzien van de plaatsing. De rechtbank oordeelt dat voortzetting van het gezag niet passend is en dat het belang van de minderjarige vraagt om duidelijkheid en stabiliteit.
De rechtbank wijst het verzoek toe, beëindigt het gezag van de moeder en benoemt de gecertificeerde instelling tot voogd. Er blijft ruimte voor contact tussen moeder en kind, waarbij het belang en tempo van de minderjarige leidend zijn. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en er is mogelijkheid tot hoger beroep.