ECLI:NL:RBDHA:2022:1250
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.F.Th. de Roos
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag op grond van homoseksualiteit wegens onvoldoende geloofwaardigheid
Eiser, een Jordaanse man, vroeg asiel aan in Nederland met het argument dat hij vanwege zijn homoseksualiteit en de daaruit voortvloeiende bedreigingen door zijn familie moest vluchten. Hij stelde dat hij op jonge leeftijd was verkracht en later onder dwang was getrouwd, waarna zijn vrouw zijn geaardheid ontdekte en de familie hiervan op de hoogte bracht.
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees de aanvraag af omdat hij de homoseksuele geaardheid en de daaruit voortvloeiende problemen niet geloofwaardig achtte. Dit oordeel was gebaseerd op summiere en oppervlakkige verklaringen van eiser over zijn geaardheid, tegenstrijdige verklaringen tussen eiser en zijn echtgenote, en het feit dat eiser en zijn gezin documenten hadden ingediend die duidden op vrijwillige terugkeer naar Jordanië.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris terecht de geloofwaardigheid van de seksuele geaardheid van eiser in twijfel trok, mede omdat eiser onvoldoende toelichting gaf op zijn gevoelens, relaties en de maatschappelijke context. Ook werden de tegenstrijdigheden tussen de verklaringen van eiser en zijn echtgenote niet ontkracht met medische onderbouwing. Verder was er geen aanleiding om het beroep aan te houden vanwege de intrekking van het afwijzende besluit voor de echtgenote.
De rechtbank concludeerde dat eiser geen vluchteling is en geen reëel risico loopt bij terugkeer naar Jordanië. Ook werd geen verblijfsvergunning regulier toegekend op grond van artikel 8 EVRM Pro. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende geloofwaardigheid van de homoseksuele geaardheid en daaraan verbonden problemen.