ECLI:NL:RBDHA:2022:12504
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen weigering verblijfsvergunning asiel op a-grond
Eiser, een Afghaanse asielzoeker, vroeg in 2019 een verblijfsvergunning asiel aan op grond van artikel 28 van Pro de Vreemdelingewet 2000. Na afwijzing en een gegrond verklaard beroep, verleende de Staatssecretaris hem een vergunning op de b-grond, geldig van 2019 tot 2024. Eiser stelde beroep in tegen deze beslissing, stellende recht te hebben op een vergunning op de a-grond.
De rechtbank oordeelde dat de Staatssecretaris het asielrelaas van eiser niet geloofwaardig achtte en daarom geen vergunning op de a-grond kon verlenen. De verleende b-grond vergunning gaf eiser dezelfde rechten en voordelen als de a-grond vergunning, waardoor eiser geen belang had bij doorprocederen.
Verder wees de rechtbank het betoog van eiser af dat het ontbreken van implementatie van artikel 46 lid 2 van Pro de Procedurerichtlijn in Nederlandse wetgeving hem zou bevoordelen. De rechtbank concludeerde dat het beroep niet-ontvankelijk is wegens gebrek aan procesbelang en dat verweerder geen proceskosten hoeft te betalen.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.