ECLI:NL:RBDHA:2022:12512

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2022
Publicatiedatum
24 november 2022
Zaaknummer
C/09/630620 / KG RK 22-727
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39, derde lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wraking rechter afgewezen wegens gebrek aan vooringenomenheid

Verzoekster, een besloten vennootschap, diende een wrakingsverzoek in tegen de rechter die in de hoofdzaak een voorlopig oordeel had gegeven dat grotendeels in het voordeel van de eisers was. Dit verzoek kwam voort uit onvrede over het voorlopige oordeel dat tijdens een zitting werd uitgesproken met het oog op een minnelijke regeling.

De wrakingskamer oordeelde dat een rechter alleen gewraakt kan worden bij objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid. Het voorlopige oordeel van de rechter, zoals gegeven tijdens de zitting, vormt op zichzelf geen grond voor wraking. Verzoekster stelde niet dat het oordeel voortkwam uit vooringenomenheid, noch was dit uit het proces-verbaal af te leiden.

De kamer benadrukte dat wraking geen verkapt rechtsmiddel is en dat de beoordeling van de juistheid van een rechterlijke beslissing aan de rechter zelf of hoger beroep is voorbehouden. Omdat er geen bijzondere omstandigheden waren die een schijn van partijdigheid wekten, werd het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond verklaard.

Er werd geen mondelinge behandeling gehouden omdat het debat over de gegrondheid niet aan de orde was. De procedure in de hoofdzaak werd voortgezet zoals die was ten tijde van het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt ongegrond verklaard en de procedure wordt voortgezet.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Wrakingskamer
wrakingnummer 2022-37
zaak- /rekestnummer: C/09/630620 / KG RK 22-727
Beslissing van 23 juni 2022
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
de besloten vennootschap
B.V. Maatschappij tot Exploitatie van Onroerende Goederen “Verzicht”,
statutair gevestigd te Den Haag en kantoorhoudende te Leidschendam,
hierna te noemen: verzoekster,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
strekkende tot de wraking van
mr. S.L.M. Staals,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het schriftelijke wrakingsverzoek van 12 juni 2022.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer 9696699 RL EXPL 22-3080 tussen verzoekster en [eiser 1] en [eiser 2] (hierna: de hoofdzaak). In de hoofdzaak is verzoekster de gedaagde partij en vorderen [eiser 1] en [eiser 2] als eisers terugbetaling van de waarborgsom na het einde van een huurovereenkomst. De hoofdzaak is op 9 juni 2022 ter zitting behandeld. Uit het proces-verbaal van deze mondelinge behandeling blijkt dat de rechter tijdens de zitting, met het oog op een minnelijke regeling, een voorlopig oordeel heeft gegeven. Dat voorlopig oordeel kwam erop neer dat de vordering van eisers (grotendeels) zou worden toegewezen, als het tot een vonnis zou komen. Partijen in de hoofdzaak hebben vervolgens geen overeenstemming bereikt en de rechter heeft aangekondigd dat vonnis zal worden gewezen op 15 juni 2022.
2.2.
Op 10 juni 2022 heeft verzoekster twee e-mails aan de rechter verstuurd, waarin zij nogmaals haar standpunt over de vordering van eisers in de hoofdzaak toelicht en – kort weergegeven - stelt dat het voorlopig oordeel van de rechter niet juist is en moet worden heroverwogen. In een e-mail van 12 juni 2022 stelt verzoekster dat de e-mails van 10 juni 2022 als wrakingsverzoek moeten worden beschouwd en licht zij nogmaals toe waarom het door de rechter ter zitting gegeven voorlopig oordeel niet juist is.

3.De beoordeling

3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
3.2.
Het wrakingsverzoek is alleen gegrond op de inhoud van het door de rechter gegeven voorlopig oordeel. Verzoekster stelt op geen enkele wijze dat dat voorlopig oordeel als zodanig uit vooringenomenheid is ontstaan. Dit laatste kan ook niet worden afgeleid uit het proces-verbaal van de zitting. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt echter mee dat een rechterlijke beslissing als zodanig nooit grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van een beslissing (of in dit geval: het gegeven voorlopig oordeel). Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Dit kan anders zijn, als de motivering van de (tussen)beslissing zodanig gebrekkig is dat deze grond vormt voor wraking, bijvoorbeeld omdat deze in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven. Dat is hier niet aan de orde. Dit betekent dat het wrakingsverzoek (kennelijk) ongegrond is.
3.3.
Voor een behandeling van het verzoek ter terechtzitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen.

4.De beslissing

De wrakingskamer
4.1.
verklaart het wrakingsverzoek ongegrond;
4.2.
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
4.3.
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:
  • verzoekster;
  • de wederpartij in de hoofdzaak;
  • de rechter.
Deze beslissing is gegeven door mrs. M.J. Alt-van Endt, S.M. Krans en J. Brandt, in tegenwoordigheid van de griffier mr. I. Diephuis-Timmer en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2022.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.