ECLI:NL:RBDHA:2022:12521

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 november 2022
Publicatiedatum
24 november 2022
Zaaknummer
NL22.20620
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen niet-behandeling asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Italië

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. De rechtbank heeft vastgesteld dat eiser geen gronden van beroep heeft ingediend ondanks een gegeven termijn om dit te doen.

Daarnaast heeft de gemachtigde van eiser verklaard geen contact meer te hebben met eiser, die de opvang heeft verlaten en met onbekende bestemming is vertrokken. Hierdoor concludeert de rechtbank dat eiser geen procesbelang meer heeft bij de inhoudelijke behandeling van het beroep.

Op grond van artikel 6:5 en Pro 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 30 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL22.20620
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], eiser

v-nummer: [Nummer], en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. R. Hopman).

Procesverloop

Bij besluit van 12 oktober 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 11 november 2022 op zitting behandeld in Breda. Partijen zijn niet
verschenen.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 6:5, eerste lid, onder d, van de Awb2 bevat het beroepsschrift de gronden van beroep. Indien niet aan dit vereiste is voldaan, kan op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, mits eiser de gelegenheid heeft gehad het verzuim binnen een bepaalde termijn te herstellen.
2. De rechtbank stelt vast dat eiser op 13 oktober 2022 in de gelegenheid is gesteld om gronden in te dienen. Eiser heeft geen gronden ingediend binnen de gestelde termijn. Niet is gebleken dat dit niet aan eiser is toe te rekenen.
3. Daarnaast is gebleken dat eiser geen procesbelang heeft bij de inhoudelijke behandeling van zijn beroep. De gemachtigde van eiser heeft op 18 oktober 2022 laten weten dat hij geen contact heeft met eiser en dat hij de opvang heeft verlaten. Volgens verweerder is eiser met onbekende bestemming vertrokken. Hieruit leidt de rechtbank af dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op asielrechtelijke
1. Op grond van artikel 30, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000.
2 Algemene wet bestuursrecht.
bescherming in Nederland. Eiser heeft daarom geen rechtens te beschermen belang meer bij de beoordeling van zijn beroep.3
4. Het beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Karsten-Badal, rechter, in aanwezigheid van mr. S.C. Spruijt, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
3 Zie voor dit oordeel ook de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder meer de uitspraak van 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579.
Dit uitspraak is bekendgemaakt op:

Documentcode: DSR23251348

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.