ECLI:NL:RBDHA:2022:12554

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 mei 2022
Publicatiedatum
24 november 2022
Zaaknummer
NL22.8638 en NL22.8658
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen terugkeerbesluit en maatregel van bewaring vreemdeling

Eiser, van Egyptische nationaliteit, diende beroep in tegen een terugkeerbesluit en een maatregel van bewaring opgelegd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Het terugkeerbesluit was genomen op 12 april 2022, maar het beroepschrift werd pas op 15 mei 2022 ingediend, waardoor het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.

De maatregel van bewaring werd opgelegd op grond van het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou belemmeren. Eiser voerde aan dat een lichter middel, zoals een meldplicht, passend zou zijn vanwege zijn rechtmatig verblijf in Italië en medische klachten. De rechtbank oordeelde echter dat eiser dit niet aannemelijk had gemaakt en dat de maatregel proportioneel en noodzakelijk was.

Verder stelde eiser dat de overheid niet voortvarend handelde in het achterhalen van zijn documenten uit Italië. De rechtbank stelde dat verweerder voldoende voortvarend had gehandeld, onder meer omdat eiser had verklaard zo snel mogelijk naar Egypte te willen terugkeren en een vertrekgesprek had plaatsgevonden met een geplande vlucht.

Het beroep tegen de maatregel van bewaring werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen de daarvoor gestelde termijnen.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard, inclusief afwijzing van het verzoek om schadevergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht
zaaknummers: NL22.8638 en NL22.8658
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [eiser], eiser
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. G.P. Dayala), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: S. Faddach).

Procesverloop

Op 12 april 2022 heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit (bestreden besluit 1) opgelegd. Verweerder heeft op 14 mei 2022 aan eiser de maatregel van bewaring (bestreden besluit 2) op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Het beroep tegen bestreden besluit 2 moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft de beroepen op 23 mei 2022 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door R.T. Laigsingh, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer H. Lotfi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Egyptische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [1984] .
Bestreden besluit 1
2. De rechtbank stelt vast dat het beroep gericht tegen het terugkeerbesluit te laat is ingediend. Het terugkeerbesluit is genomen op 12 april 2022 en het beroepschrift is op 15 mei 2022 ingediend. De beroepstermijn van vier weken is daarmee overschreden. Eiser heeft geen reden aangevoerd waarom hij verschoonbaar te laat zou zijn. Het beroep tegen het terugkeerbesluit is daarom niet-ontvankelijk.
Bestreden besluit 2
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van
het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. De gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen zijn niet betwist.
Lichter middel
5. Eiser voert aan dat verweerder een lichter middel had moeten toepassen. Hij heeft rechtmatig verblijf in Italië, waardoor hem ook een meldplicht opgelegd had kunnen worden opgelegd. Daarnaast heeft eiser pijn aan zijn arm, waardoor de maatregel van bewaring voor hem onevenredig zwaar is.
6. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de door eiser niet betwiste gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen, volgt in beginsel het risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarnaast voldoende gemotiveerd dat eiser voor zijn arm terecht kan bij de medische zorgverlening in het detentiecentrum in [plaats] . Verweerder heeft eiser niet hoeven volgen in zijn stelling dat hij verblijfsrecht heeft in Italië. Hij heeft dit met geen enkel stuk aannemelijk kunnen maken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarom tot de conclusie mogen komen dat een lichter middel niet effectief kan worden toegepast. De beroepsgrond slaagt niet.
Voortvarend handelen
7. Eiser voert aan dat verweerder niet voortvarend handelt om zijn documenten van Italië na te trekken.
8. De rechtbank overweegt als volgt. Eiser kan, zoals verweerder heeft gesteld, op basis van zijn verlopen Egyptische paspoort worden uitgezet naar Egypte. Voor een onderzoek naar een mogelijk verblijfsrecht in Italië heeft verweerder terecht geen aanleiding gezien, aangezien eiser ter zitting heeft verklaard zo snel mogelijk naar Egypte te willen. Op 19 mei 2022 heeft verweerder een vertrekgesprek met eiser gevoerd en ter zitting heeft verweerder medegedeeld dat de vlucht van eiser naar Egypte staat gepland op 29 mei 2022.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee voldoende voortvarend gehandeld. De beroepsgrond slaagt niet.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
In het beroep tegen
bestreden besluit 1:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
In het beroep tegen
bestreden besluit 2:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
30 mei 2022
en is openbaar gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl
Mr. D. Verduijn M.A.W.M. Engels
Rechter Griffier
Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland
Documentcode: [documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden
ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.