Eiser, een Zuid-Sudanese vreemdeling, werd op 25 oktober 2022 de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet. Deze maatregel werd genomen vanwege zijn onttrekking aan het toezicht, het niet opvolgen van een vertrektermijn, onvoldoende medewerking aan het vaststellen van zijn identiteit en zijn weigering tot terugkeer.
Eiser betwistte met name de gronden dat hij zich aan het toezicht had onttrokken en dat hij niet over identificerende documenten beschikte. Hij stelde dat hij na een afwijzing van zijn verblijfsaanvraag naar België was vertrokken en zich daar had gemeld, en dat hij vanwege zijn vluchtmotief niet kon worden verplicht contact op te nemen met Zuid-Sudanese autoriteiten.
De rechtbank oordeelde dat eiser zich wel degelijk aan het toezicht had onttrokken door uit eigen beweging naar België te vertrekken en dat hij geen actie had ondernomen om zijn identiteit te bewijzen. De vluchtmotiefstelling deed hieraan niet af. De overige gronden voor de bewaring waren eveneens feitelijk juist en voldoende om de maatregel te dragen.
De rechtbank stelde vast dat geen onregelmatigheden waren in de rechtmatigheid van de maatregel en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.