ECLI:NL:RBDHA:2022:12612
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning tijdelijke humanitaire gronden voor slachtoffer mensenhandel wegens Dublinprocedure
Eiser, afkomstig uit Algerije en eerder verblijvend in Kroatië, verzocht om een verblijfsvergunning regulier op tijdelijke humanitaire gronden als slachtoffer van mensenhandel. De aanvraag werd door de staatssecretaris afgewezen omdat de zaak geseponeerd was en de aanwezigheid van eiser in Nederland niet noodzakelijk werd geacht voor opsporing en vervolging. De rechtbank bevestigt dat eiser niet aan de voorwaarden voldoet zoals vastgelegd in de Vreemdelingencirculaire en het Vreemdelingenbesluit 2000.
Eiser voerde aan dat hij in Kroatië geen bescherming zou krijgen en dat de omstandigheden daar meegewogen moesten worden, ook verwijzend naar het arrest Paposhvili en het beschermingsbeleid voor slachtoffers van mensenhandel. De rechtbank oordeelt dat deze argumenten niet tot een andere uitkomst leiden, mede omdat de Dublinprocedure hiervoor de juiste route is en Kroatië als verantwoordelijke lidstaat wordt beschouwd.
Verder werd het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard omdat het kennelijk ongegrond was, en eiser hoefde niet gehoord te worden in bezwaar. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen omdat de hoofdzaak geen grond gaf voor een tijdelijke maatregel. Eiser kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening af en bevestigt de afwijzing van de verblijfsvergunning tijdelijke humanitaire gronden.