ECLI:NL:RBDHA:2022:12625
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot terugwerkende verlenging verblijfsvergunning arbeid in loondienst
Eiser had eerder verblijfsvergunningen voor arbeid in loondienst en zijn voormalige werkgever vroeg op 6 april 2021 om verlenging. Na een periode van werkloosheid trad eiser op 5 juli 2021 in dienst bij een nieuwe werkgever, die een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA) aanvroeg en verkreeg met ingang van 30 september 2021 tot 30 september 2022.
Eiser betoogde dat de vergunning met ingang van 3 juni 2021 had moeten worden verleend, omdat zijn eerdere vergunning toen verliep, waardoor een verblijfsgat ontstond dat onredelijk en onevenredig zou zijn. Hij stelde dat de vorige werkgever onvolledige informatie had verstrekt en dat het UWV-advies niet zorgvuldig was.
De rechtbank oordeelde dat eiser deze gronden eerder had kunnen aanvoeren tegen het besluit van 24 juni 2021, maar dat hij dat niet had gedaan, wat voor zijn risico komt. Verweerder had de aanvraag van 6 juli 2021 terecht beoordeeld en geen bijzondere omstandigheden gevonden om de vergunning met terugwerkende kracht te verlenen. Het handelen van de werkgever komt voor risico van eiser en de situatie leidt niet tot onevenredige gevolgen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees erop dat eiser in hoger beroep kan gaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na verzending van het proces-verbaal.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het besluit tot niet-verlening van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht is ongegrond verklaard.