ECLI:NL:RBDHA:2022:12646

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 mei 2022
Publicatiedatum
28 november 2022
Zaaknummer
AWB 22/974 VK
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRM
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening tegen afwijzing verblijfsvergunning familie en gezin

Verzoekster, Iraanse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning met als doel verblijf bij haar Nederlandse echtgenoot. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees deze aanvraag af wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en het niet voldoen aan vrijstellingscriteria, mede omdat verzoekster haar medische situatie onvoldoende onderbouwde.

Tegen dit besluit maakte verzoekster bezwaar en vroeg zij de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelde dat het spoedeisend belang aanwezig was omdat verzoekster verwijderbaar is en een terugkeerbesluit nog steeds geldt. Verweerder verscheen niet op de zitting en liet het bezwaar inhoudelijk onbeantwoord.

De voorzieningenrechter vond het belang van verzoekster om de bezwaarprocedure in Nederland af te wachten zwaarder wegen dan het belang van verweerder bij handhaving van het besluit. Daarom werd het verzoek toegewezen, het bestreden besluit geschorst tot vier weken na de bezwaarbeslissing, en werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek tot voorlopige voorziening wordt toegewezen en het bestreden besluit geschorst tot vier weken na bezwaarbeslissing.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 22/974
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster], verzoekster

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. W.C. Boelens),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 18 februari 2022 heeft verweerder de aanvraag van verzoekster voor een verblijfsvergunning met als verblijfsdoel ‘familie en gezin’ afgewezen. Daarnaast heeft verweerder aan verzoekster een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van twee jaren.
Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 12 mei 2022 op zitting behandeld. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Tevens was haar echtgenoot aanwezig. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Als tolk is verschenen H. Malwand-Baraki.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek toe;
  • schorst het bestreden besluit tot vier weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184,- aan verzoekster te vergoeden;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.518,-, te betalen door verweerder aan verzoekster.

Overwegingen

1. Verzoekster heeft de Iraanse nationaliteit en is geboren op [1961]. Verzoekster heeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning ingediend om verblijf te krijgen bij haar echtgenoot [echtgenoot] (referent) van Nederlandse nationaliteit.
2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat verzoekster geen geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) heeft en zij niet voor vrijstelling van het zogenoemde mvv- vereiste in aanmerking komt. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat verzoekster haar medische situatie niet heeft onderbouwd, en daarom het Bureau Medische advisering niet is verzocht om advies over haar medische situatie. Daarnaast overweegt verweerder dat de uitzetting van verzoekster niet in strijd is met artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Volgens verweerder is tussen verzoekster en referent wel sprake van familieleven, maar valt de belangenafweging in het nadeel van verzoekster uit. Verweerder is verder van mening dat er geen reden is om de hardheidsclausule toe te passen. Ook heeft verzoekster niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van bijzondere, persoonlijke feiten en omstandigheden die maken dat het onevenredig bezwarend voor verzoekster zou zijn als verweerder vast zou houden aan het mvv-vereiste. Daarnaast heeft verweerder aan verzoekster een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van twee jaren.
3. Verweerder heeft zich in het verweerschrift van 3 mei 2022 op het standpunt gesteld dat het spoedeisend belang ontbreekt omdat er geen concrete uitzettingsdatum bekend is.
4. De voorzieningenrechter volgt dit standpunt van verweerder niet. Het feit dat verzoekster verwijderbaar is, brengt naar het oordeel van de voorzieningenrechter reeds mee dat er sprake is van een spoedeisend belang. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat tegen verzoekster een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, dat nog steeds geldt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het spoedeisend belang gegeven met de vaststelling dat uitzetting dreigt voordat op het bezwaar zal zijn beslist.
5. Verder stelt de voorzieningenrechter vast dat het bezwaar- en verzoekschrift van verzoekster inhoudelijk onweersproken is gebleven. Verweerder heeft niet gereageerd op de argumenten uit het verzoekschrift en is ook niet op de zitting verschenen om een standpunt toe te lichten. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat het belang van verzoekster om de bezwaarprocedure in Nederland te kunnen afwachten zwaarder weegt dan het belang van verweerder.
6. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht vergoeden. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder ook in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Verweerder moet aan haar een vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting). Die punten hebben een waarde van € 759,- bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 1.518,-.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2022 door mr. J.G. Nicholson, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van Luijk-Salomons, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.