Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
duizendvijfhonderdachttien euro).
Rechtbank Den Haag
Eiser, met de Somalische nationaliteit, verblijft sinds 1997 in Nederland en heeft een aanvullend terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar opgelegd gekregen. Hij voert aan dat het besluit strijdig is met artikel 8 EVRM Pro vanwege zijn langdurig verblijf en zijn rol als verzorger van een Nederlandse zoon die hij niet kan erkennen wegens ontbrekende identiteitspapieren.
De rechtbank overweegt dat verweerder terecht stelt dat het gezinsleven niet is vastgesteld omdat eiser zijn zoon niet heeft erkend en onvoldoende bewijs heeft geleverd. De verklaringen overgelegd door eiser zijn niet objectief en onvoldoende om het vaderschap vast te stellen. Verweerder heeft het belang van het kind wel betrokken.
Hoewel verweerder het privéleven onvoldoende heeft gemotiveerd in het besluit, passeert de rechtbank dit motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro omdat eiser daardoor niet is benadeeld. Verweerder heeft in het verweerschrift voldoende gemotiveerd dat het langdurige verblijf en de persoonlijke omstandigheden niet leiden tot schending van artikel 8 EVRM Pro.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser. De uitspraak is gedaan door rechter A.C.J. van Dooijeweert en griffier W. van Loon.
Uitkomst: Het beroep tegen het aanvullend terugkeerbesluit en het inreisverbod wordt ongegrond verklaard.