Verzoeker heeft een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning regulier voor familie- en gezinsleven, welke door verweerder op 28 januari 2022 is afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 9 juni 2022, waarbij partijen niet verschenen. Verweerder heeft aangegeven zich niet te verzetten tegen toewijzing van het verzoek, waardoor hij verzoeker niet zal uitzetten totdat het bezwaar is afgedaan.
De voorzieningenrechter besloot het primaire besluit te schorsen tot na de beslissing op bezwaar, en veroordeelde verweerder tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van verzoeker, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.