ECLI:NL:RBDHA:2022:12664
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening uitstel vertrek op grond van medische situatie
Verzoeker, een Iraanse staatsburger geboren in 1955, heeft op 8 november 2021 uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 gevraagd vanwege een medische noodsituatie. Het Bureau Medische Advisering (BMA) heeft geadviseerd dat verzoeker in staat is te reizen mits fysieke overdracht en begeleiding geregeld zijn. Verweerder heeft op 21 januari 2022 het verzoek afgewezen en een terugkeerbesluit opgelegd.
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt en een voorlopige voorziening gevraagd, stellende dat het arrest TQ van het Hof van Justitie van de EU ook op hem van toepassing is en dat verweerder moet aantonen dat fysieke overdracht mogelijk is. De voorzieningenrechter oordeelt dat het arrest TQ alleen betrekking heeft op minderjarige vreemdelingen en dat verweerder zich voldoende heeft laten voorlichten door het BMA en passende maatregelen heeft getroffen om de medische overdracht te waarborgen.
De voorzieningenrechter stelt dat het aan verzoeker is om aannemelijk te maken dat hij geen toegang heeft tot medische zorg in Iran, hetgeen niet is gelukt. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tot uitstel van vertrek wordt afgewezen.