ECLI:NL:RBDHA:2022:12678
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsaanvragen wegens onvoldoende bewijs duurzame relatie en middelenvereiste
De rechtbank Den Haag behandelde de beroepen van eiser en eiseres tegen besluiten van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid die hun aanvragen voor verblijfsdocumenten weigerden. Verweerder stelde dat niet was aangetoond dat eiser en eiseres een duurzame relatie hadden en dat niet werd voldaan aan het middelenvereiste.
Eiser voerde aan dat hij een duurzame relatie met eiseres had aangetoond met onder meer inschrijving bij de gemeente en getuigenverklaringen. De rechtbank oordeelde echter dat zes maanden samenwoning niet was aangetoond en dat inschrijving op hetzelfde adres onvoldoende bewijs is voor een affectieve relatie. Ook was onvoldoende bewijs geleverd voor het bestaan van een duurzame relatie, mede doordat eiser niet op verzoek aanvullende bewijsstukken overlegde en zonder geldige reden niet verscheen bij een hoorzitting.
Eiseres stelde dat zij voldeed aan het middelenvereiste, maar de rechtbank vond dat onvoldoende aannemelijk gemaakt. Er ontbraken onder meer arbeidsovereenkomsten en bankafschriften, en de gegevens uit Suwinet konden worden betrokken bij de beoordeling. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht van horen in bezwaar kon afzien, omdat de bezwaren kennelijk ongegrond waren.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De beroepen tegen de weigering van verblijfsdocumenten worden ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van duurzame relatie en middelenvereiste.