ECLI:NL:RBDHA:2022:12690
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen ingangsdatum EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetene afgewezen
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 24 januari 2022 waarbij zij een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen is toegekend met ingang van 13 augustus 2020. Eerder was haar aanvraag afgewezen en na bezwaar een vergunning verleend met ingang van 11 maart 2020. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vernietigde het eerdere besluit en verklaarde het bezwaar gegrond.
De rechtbank stelt vast dat eiseres inmiddels in het bezit is gesteld van de gevraagde vergunning en dat zij geen belang meer heeft bij het beroep tegen de afwijzing van de vergunning zelf. Het beroep richt zich op de ingangsdatum van de vergunning en de vergoeding van proceskosten in bezwaar.
De rechtbank oordeelt dat eiseres onvoldoende belang heeft bij een oordeel over de ingangsdatum. Wel is er procesbelang bij het beroep tegen het niet vergoeden van de proceskosten in bezwaar. De rechtbank stelt vast dat eiseres pas na het primaire besluit voldeed aan de voorwaarden (middelenvereiste) en dat het primaire besluit daarom niet onrechtmatig was. Een proceskostenveroordeling in bezwaar is dan ook niet aangewezen.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling in de beroepsfase.
Uitkomst: Het beroep tegen de ingangsdatum van de EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetene wordt ongegrond verklaard.