ECLI:NL:RBDHA:2022:12693

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 juli 2022
Publicatiedatum
29 november 2022
Zaaknummer
NL22.12269
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000Art. 67 Vreemdelingenwet 2000Art. 66a Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel bewaring en ongewenstverklaring vreemdeling afgewezen

Eiser, van Poolse nationaliteit, werd op 28 juni 2022 de maatregel van bewaring opgelegd op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Tegen deze maatregel stelde hij beroep in, dat tevens als verzoek om schadevergoeding werd aangemerkt. De maatregel werd op 6 juli 2022 opgeheven. De rechtbank beperkte haar beoordeling tot de vraag of de tenuitvoerlegging van de bewaring onrechtmatig was en of schadevergoeding moest worden toegekend.

De rechtbank constateerde dat eiser de gronden voor de bewaring niet had betwist. Zijn bezwaar tegen de ongewenstverklaring lag niet ter toetsing in deze procedure en had geen opschortende werking, waardoor de bewaring op een juiste grondslag was gebaseerd. Eiser stelde dat hij geen effectief rechtsmiddel had tegen zijn uitzetting, maar de rechtbank oordeelde dat het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de uitzetting een effectief rechtsmiddel vormde conform artikel 13 EVRM Pro.

Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring en de ongewenstverklaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL22.12269
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A.E.M. de Vries),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr M. Janssen).

Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 6 juli 2022 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 11 juli 2022 op zitting behandeld. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Poolse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1981.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken.
Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3h. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van Pro de Wet of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Wet;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen niet heeft betwist.
Ongewenstverklaring
5. Eiser voert aan dat er gegronde redenen bestaan om de ongewenstverklaring van eiser op te heffen. Hierdoor zou er geen grondslag meer bestaan voor de maatregel van bewaring. Daarnaast voert eiser aan dat hij, hangende zijn beroep tegen de ongewenstverklaring, niet mocht worden uitgezet naar Polen.
6. De rechtbank overweegt als volgt. De beoordeling of de ongewenstverklaring (nog steeds) rechtmatig aan eiser is opgelegd, ligt in deze procedure niet ter toetsing voor. Daarnaast heeft het verzoek tot opheffing van de ongewenstverklaring geen opschortende werking. Eiser heeft dan ook geen (procedureel) rechtmatig verblijf, wat inhoudt dat de maatregel van bewaring op de juiste grondslag is opgelegd. De beroepsgrond slaagt niet.
Effectief rechtsmiddel
7. Eiser voert verder aan dat hij geen effectief rechtsmiddel heeft gehad tegen zijn uitzetting van 6 juli 2022 naar Polen. Dit levert een schending op van artikel 13 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
8. De rechtbank overweegt als volgt. Met het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de uitzetting, waarop deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, op 5 juli 2022 uitspraak heeft gedaan1, is aan eiser een daadwerkelijk rechtsmiddel geboden als bedoeld in artikel 13 van Pro het EVRM. De beroepsgrond slaagt niet.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
1. zaaknummer NL22.12682.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
13 juli 2022
en is openbaar gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl
Mr. D. Verduijn M.A.W.M. Engels
Rechter Griffier
Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland
Documentcode: [nummer]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.