AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beroep niet-ontvankelijk wegens te late indiening in zaak eigen bijdrage opvang
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen een besluit van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) over haar eigen bijdrage in de kosten van opvang. Het besluit dateert van 7 juli 2022. De beroepstermijn bedraagt vier weken en begon op 8 juli 2022, waardoor het beroep uiterlijk op 4 augustus 2022 moest zijn ingediend.
Eiseres stuurde op 4 augustus 2022 een e-mail met een kopie van het beroepschrift aan het COA en verzond het beroepschrift per aangetekende brief op 5 augustus 2022 aan het Centraal Inschrijfbureau Vreemdelingenzaken (CIV). De rechtbank oordeelt dat de aangetekende verzending een dag te laat was en dat de e-mail geen doorzendplicht voor het bestuursorgaan creëert.
De rechtbank stelt vast dat eiseres wist bij welk bestuursorgaan zij beroep moest instellen, zodat artikel 6:15 AwbPro over doorzending niet van toepassing is. Omdat geen verontschuldigbare termijnoverschrijding is aangevoerd, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en komt zij niet toe aan inhoudelijke beoordeling.
Uitkomst: Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 22/4951
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 november 2022 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
gemachtigde: [gemachtigde]
V-nummer: [V-nummer]
en
het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, verweerder.
gemachtigde: mr. S.H.M. Maas
Procesverloop
Op 7 juli 2022 heeft verweerder een beslissing genomen over de eigen bijdrage van eiseres in de kosten van opvang. Hiertegen heeft eiseres beroep ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2022. Hierbij waren aanwezig eiseres, bijgestaan door [naam] evenals haar gemachtigde werkzaam voor de Stichting Rechtswinkel Tilburg en de gemachtigde van verweerder. Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Overwegingen
1. De vraag is of eiseres op tijd beroep heeft ingesteld. Zij heeft beroep ingesteld door middel van een aangetekende brief aan het Centraal Inschrijfbureau Vreemdelingenzaken (CIV). Het beroepschrift is gedateerd op 4 augustus 2022 en door het CIV ontvangen op 8 augustus 2022. Het beroepschrift is ter aangetekende verzending op 5 augustus 2022 bij PostNL aangeboden.
2. Voor het indienen van een beroepschrift geldt op grond van artikel 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 een termijn van vier weken. Deze termijn begint op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Verweerder heeft op 7 juli 2022, door verzending per post, het bestreden besluit bekend gemaakt. Dit betekent dat de termijn begint op 8 juli 2022 en dat de laatste dag waarop beroep kon worden ingesteld 4 augustus 2022 is. De aangetekende verzending heeft dus een dag te laat plaatsgevonden. Dat het binnen een week is ontvangen is daarbij niet van belang.
3. Eiseres beroept zich erop dat zij al eerder, namelijk op 4 augustus 2022 om 21:17 uur per e-mail via info@coa.nl beroep heeft ingesteld. Verweerder had dit beroepschrift moeten doorsturen aan het bevoegde orgaan en daarmee is het volgens eiseres sprake van een tijdig ingediend beroepschrift. Verweerder is het daarmee niet eens. Verweerder zegt hierover dat aan het COA een afschrift van het beroepschrift is gestuurd, waarbij duidelijk was dat er ook een aangetekende brief aan het CIV is gestuurd. Onder die omstandigheid bestaat geen doorzendplicht voor verweerder. Volgens verweerder is sprake van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht wanneer het e-mailadres van het COA wordt gebruikt om de beroepstermijn veilig te stellen. Daarvoor is de doorzendplicht, die er is om burgers te beschermen die niet weten bij welk bestuursorgaan zij beroep moeten instellen, niet bedoeld.
4. Hierover is de rechtbank het volgende van oordeel. In de e-mail die eiseres op 4 augustus 2022 aan het COA heeft gestuurd staat “bijgaand ontvangt u het formeel beroep van cliënte mevrouw [eiseres] (…) tegen de beschikking van 7 juli 2022. Dit beroep wordt ook per aangetekende brief verzonden ter attentie van Centraal Inschrijfbureau Vreemdelingenzaken te Haarlem.” Als bijlage bij deze e-mail zit een kopie van het aan het CIV gerichte beroepschrift. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er geen aanleiding te veronderstellen dat eiseres niet wist bij wie zij beroep moest instellen. Het beroepschrift is namelijk geadresseerd aan het CIV. De vraag is dus of eiseres de termijn heeft veiliggesteld door net voor het einde van de termijn een afschrift van het beroepschrift naar het verwerende bestuursorgaan te sturen. Op grond van artikel 6:15, eerste lid, van de Awb wordt een beroepschrift dat bij een onbevoegd bestuursorgaan of onbevoegde bestuursrecht is ingediend, zo spoedig mogelijk doorgezonden aan het bevoegde orgaan, onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de afzender. Op grond van het derde lid van voornoemd artikel is het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan bepalend voor de vraag of het beroepschrift tijdig is ingediend, behoudens in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht.
5. Naar het oordeel van de rechtbank is er voor verweerder geen doorzendplicht ontstaan. Er doet zich niet de situatie voor dat bij het verkeerde orgaan beroep is ingesteld. De e-mail van eiseres kan niet anders dan begrepen worden dan dat zij verweerder in kennis stelt van het beroep dat zij bij de bestuursrechter indient. Verweerder hoefde daarom niets te doen en toepassing van artikel 6:15, derde lid is dan ook niet aan de orde. Eiseres heeft dus te laat beroep ingesteld.
6. Eiseres heeft geen redenen aangevoerd op grond waarvan de termijnoverschrijding verontschuldigbaar is. Dit betekent dat het beroep niet-ontvankelijk is. Aan een inhoudelijke beoordeling komt de rechtbank dus niet toe.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
8. De rechtbank heeft er melding van gemaakt dat op hierna te melden wijze hoger beroep kan worden ingesteld.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.L. Wijnen, rechter, in aanwezigheid van A. Ibrahimovic, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 november 2022.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.