ECLI:NL:RBDHA:2022:12972
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing ambtshalve verlening verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM
Eiser, met de Eritrese nationaliteit, verzocht om een verblijfsdocument op grond van het Unierecht om bij zijn minderjarige kind met de Nederlandse nationaliteit in Nederland te verblijven. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser reeds een verblijfsrecht in Denemarken heeft, waardoor zijn kind niet gedwongen wordt de EU te verlaten. Tevens maakte verweerder geen gebruik van zijn discretionaire bevoegdheid om ambtshalve een verblijfsvergunning te verlenen op grond van artikel 8 EVRM Pro.
Eiser stelde dat verweerder deze bevoegdheid wel had moeten toepassen, verwijzend naar jurisprudentie. De rechtbank oordeelde dat verweerder zijn besluit voldoende had gemotiveerd, mede omdat het gezinsleven in Denemarken kan worden uitgeoefend en eiser bewust koos voor een aanvraag op grond van het Unierecht.
De rechtbank concludeerde dat verweerder niet onredelijk handelde en dat eiser geen beroep kon doen op het arrest Chavez-Vilchez. Het beroep werd ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling werd afgewezen.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM wordt ongegrond verklaard.