De gemeente Den Haag schreef een Europese aanbesteding uit voor het doelgroepenvervoer, waarbij werd voorgeschreven dat uitsluitend batterij-elektrische voertuigen mochten worden ingezet. [Eiseres], exploitant van een waterstoftankstation, stelde dat deze uitsluiting onrechtmatig was en in strijd met aanbestedingsregels, het vertrouwensbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.
De voorzieningenrechter oordeelde dat onvoldoende aannemelijk was dat waterstofvoertuigen gelijkwaardig zijn aan batterij-elektrische voertuigen, mede vanwege het lagere energetisch rendement en de beperkte duurzaamheid van groene waterstof in de praktijk. De gemeente had een ruime beleidsvrijheid en haar keuze was niet onredelijk of onrechtmatig.
Daarnaast was onvoldoende gebleken dat [eiseres] gerechtvaardigd mocht vertrouwen op het toestaan van waterstofvoertuigen in de aanbesteding. Ook was er geen sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel of het evenredigheidsbeginsel. De vorderingen van [eiseres] werden daarom afgewezen en zij werd veroordeeld in de proceskosten.