Verzoeker stelde beroep in tegen een besluit van 7 oktober 2021 waarbij het bezwaar tegen een eerder besluit niet-ontvankelijk werd verklaard. Verweerder trok het bestreden besluit op 20 januari 2022 in, waarna verzoeker het beroep introk en proceskostenvergoeding vorderde.
De rechtbank gaf verweerder gelegenheid te reageren, die bereid was proceskosten van €759,- en griffierecht van €181,- te vergoeden. Partijen stemden in met een uitspraak zonder zitting.
De rechtbank constateerde dat verweerder tegemoet was gekomen aan de bezwaren van verzoeker en veroordeelde verweerder conform artikel 8:75a Awb tot vergoeding van de redelijk gemaakte proceskosten en het griffierecht. De uitspraak werd op 10 mei 2022 in het openbaar uitgesproken.