ECLI:NL:RBDHA:2022:13370

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 december 2022
Publicatiedatum
12 december 2022
Zaaknummer
NL22.22822
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 VwArt. 18 DublinverordeningArt. 17 DublinverordeningVerordening nr. (EU) 604/2013Richtlijn 2003/86/EG
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet-inbehandelingneming asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiser, een Syrische nationaliteit dragende asielzoeker, diende een beroep in tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen. Dit besluit was gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat uit Eurodac bleek dat eiser op 6 mei 2022 in Oostenrijk een asielaanvraag had ingediend.

De staatssecretaris verzocht Oostenrijk om terugname van eiser op grond van de Dublinverordening. Na een aanvankelijke afwijzing accepteerden de Oostenrijkse autoriteiten het verzoek op 15 juli 2022. Eiser voerde aan dat het besluit onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd was, onder meer vanwege streng gezinsherenigingsbeleid in Oostenrijk en beperkte rechtshulp.

De rechtbank oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt, waardoor Nederland mag vertrouwen op de naleving van Europese regelgeving door Oostenrijk. Eiser slaagde er niet in aannemelijk te maken dat deze veronderstelling niet op hem van toepassing is. De rechtbank concludeerde dat er geen bijzondere individuele omstandigheden zijn die Nederland zouden verplichten de verantwoordelijkheid voor de asielaanvraag aan zich te trekken.

Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter K.M. de Jager en griffier E.C. Jacobs op 6 december 2022.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet-in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.22822

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. B.J. Manspeaker),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: W. Epema).

Procesverloop

Bij besluit van 7 november 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL22.22823, op 1 december 2022 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Syrische nationaliteit.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw [1] . Uit onderzoek uit Eurodac is gebleken dat eiser op 6 mei 2022 in Oostenrijk een asielaanvraag heeft ingediend. Verweerder heeft daarom de autoriteiten van Oostenrijk verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening [2] . Op 8 juli 2022 hebben de autoriteiten van Oostenrijk dit verzoek afgewezen. Verweerder heeft op 11 juli 2022 de autoriteiten van Oostenrijk verzocht om een heroverweging van het verzoek. Op 15 juli 2022 hebben de autoriteiten het verzoek om eiser terug te nemen geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van de Dublinverordening.
3. Op wat eiser tegen het bestreden besluit aanvoert wordt hierna ingegaan.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet in geschil is dat eiser in Oostenrijk een asielaanvraag heeft ingediend. Daarmee staat de verantwoordelijkheid van Oostenrijk voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser vast. In zoverre eiser de verantwoordelijkheid van Oostenrijk betwist met de stelling dat het zijn intentie was om in Nederland asiel aan te vragen, slaagt dit niet. De bedoeling van eiser om in een bepaald land asiel aan te vragen, is immers niet bepalend bij de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat onder de Dublinverordening. Nu voor het overige de grondslag van het overdrachtsbesluit, te weten de ingediende asielaanvraag in Oostenrijk, niet is betwist, staat de verantwoordelijkheid van Oostenrijk vast.
5. Eiser stelt het besluit niet evenredig is en in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel, en voert daartoe het volgende aan. Verweerder heeft ten onrechte geen aanleiding gezien om zijn asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken zoals bedoeld in artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Het gezinsherenigingsbeleid in Oostenrijk is zeer streng en hij heeft hier familie en in Oostenrijk niet. Ook kan hij niet in alle gevallen rechtshulp krijgen.
6. In beginsel mag verweerder ten aanzien van Oostenrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit heeft tot gevolg dat verweerder ervan uit mag gaan dat Oostenrijk zich houdt aan de Europese regelgeving, waaronder de Gezinsherenigingsrichtlijn [3] en het EVRM [4] . Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat ten aanzien van hem niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser is hier niet in geslaagd. Het feit dat er een gesteld verschil in beleid is, maakt niet dat niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Wanneer eiser problemen ervaart met de gezinshereniging kan hij daarover klagen bij de daartoe bevoegde autoriteiten in Oostenrijk. Niet is gebleken dat hij deze mogelijkheid niet heeft of dat klagen bij voorbaat geen zin heeft. Daarnaast is de Dublinverordening niet bedoeld voor de beoordeling of gezinshereniging mogelijk is. De stelling dat niet in alle gevallen rechtshulp mogelijk is, is niet onderbouwd en leidt daarom niet tot een ander oordeel.
7. Verweerder heeft aldus voldoende gemotiveerd dat de stelling dat eiser hier familie heeft er niet toe leidt dat Nederland de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het asielverzoek aan zich dient te trekken en dat evenmin aannemelijk is geworden dat sprake is van bijzondere individuele omstandigheden.
8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verordening nr. (EU) 604/2013.
3.Richtlijn 2003/86/EG.
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.