ECLI:NL:RBDHA:2022:13398
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen besluit geen rechtmatig verblijf EU-burger
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid waarin is vastgesteld dat hij geen rechtmatig verblijf als EU-burger heeft. Dit bezwaar is kennelijk ongegrond verklaard. Vervolgens heeft verzoeker beroep ingesteld en tegelijkertijd een voorlopige voorziening gevraagd om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit op te schorten totdat op het beroep is beslist.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening beoordeeld zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank heeft bij uitspraak in de hoofdzaak het beroep ongegrond verklaard, waardoor het verzoek om voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond is afgewezen.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter K.M. de Jager en griffier A.S. Hamans en is zonder mogelijkheid tot hoger beroep.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het besluit dat verzoeker geen rechtmatig verblijf als EU-burger heeft, is afgewezen.