ECLI:NL:RBDHA:2022:13421
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen niet-ontvankelijkheid opvolgende asielaanvraag wegens internationale bescherming in Oostenrijk
Eiser, een Syrische minderjarige, diende een opvolgende asielaanvraag in Nederland in nadat zijn eerdere aanvraag niet-ontvankelijk was verklaard wegens internationale bescherming in Oostenrijk. Verweerder stelde dat eiser nog steeds internationale bescherming geniet in Oostenrijk, ondanks het verlopen van zijn verblijfsvergunning, en verklaarde de aanvraag niet-ontvankelijk op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000.
Eiser voerde aan dat het verlopen van zijn verblijfsvergunning relevant is en dat Nederland verantwoordelijk is voor zijn asielaanvraag. Hij stelde dat verweerder onterecht geen inhoudelijke beoordeling heeft gedaan en dat niet is toegelicht dat hij niet wordt overgedragen aan Oostenrijk voordat op het hoger beroep is beslist. De rechtbank oordeelde dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat zijn subsidiaire beschermingsstatus in Oostenrijk is beëindigd, hetgeen hij niet heeft gedaan.
De rechtbank nam een e-mailbericht van de Oostenrijkse autoriteiten mee in de beoordeling en concludeerde dat verweerder voldoende onderzoek heeft gedaan door Eurodac te raadplegen. Er is geen sprake van nieuwe relevante elementen die een inhoudelijke beoordeling van de aanvraag rechtvaardigen. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.
Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de opvolgende asielaanvraag is ongegrond verklaard.