ECLI:NL:RBDHA:2022:13424
Rechtbank Den Haag
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen proceskostenvergoeding en schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft eiser beroep ingesteld tegen twee besluiten van verweerder betreffende de toekenning van proceskostenvergoeding voor vier samenhangende bezwaren. Verweerder heeft het eerste besluit ingetrokken en vervangen door een tweede besluit met een hogere vergoeding. De rechtbank verklaart het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk omdat dit besluit is vervangen, en verklaart het beroep tegen het tweede besluit ongegrond omdat de vergoeding correct is vastgesteld.
De rechtbank oordeelt dat sprake is van samenhangende zaken omdat de bezwaren gelijktijdig zijn behandeld, de rechtsbijstand door dezelfde gemachtigde is verleend en de werkzaamheden nagenoeg identiek waren. Hierdoor is de toegepaste wegingsfactor van 1,5 terecht toegepast. Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van eiser.
Eiser heeft tevens een verzoek ingediend tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt vast dat de termijn van 24 maanden met ongeveer 7 maanden is overschreden, wat een schadevergoeding van €1.000,- rechtvaardigt. Deze vergoeding wordt ten laste van de Staat gebracht. Tevens wordt de Staat veroordeeld in de proceskosten die verband houden met dit verzoek.
De uitspraak is mondeling gedaan op 28 november 2022 door rechter A.J. van der Ven en griffier D.W.A. van Weert. Partijen is gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep tegen het eerste besluit is niet-ontvankelijk, het beroep tegen het tweede besluit ongegrond, met toekenning van proceskostenvergoeding en schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.