ECLI:NL:RBDHA:2022:13445

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 juli 2022
Publicatiedatum
14 december 2022
Zaaknummer
AWB 20/4070
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbRichtlijn 2004/38/EG
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening voor faciliterend visum op grond van richtlijn vrij verkeer

Verzoeker, van Tunesische nationaliteit, heeft een aanvraag ingediend voor een faciliterend visum op grond van richtlijn 2004/38/EG. Verweerder heeft aangegeven dat Nederland niet de bevoegde lidstaat is en dat verzoeker de aanvraag in België moet indienen. Verzoeker maakte bezwaar en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening vanwege de spoedeisendheid, aangezien hij op 16 juli 2022 met zijn partner en kind naar België zou reizen en daarna drie maanden in Nederland zou verblijven.

Tijdens de zitting op 7 juli 2022 heeft verweerder verklaard zich niet te verzetten tegen de toewijzing van de voorlopige voorziening, voor zover verzoeker wordt behandeld alsof hij in het bezit is van het gevraagde visum. De voorzieningenrechter heeft daarop het verzoek toegewezen en verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

De uitspraak is gedaan in het openbaar en er staat geen rechtsmiddel tegen open. De proceskosten zijn vastgesteld op €1.512,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht voor professionele rechtsbijstand.

Uitkomst: Verzoeker wordt behandeld alsof hij in het bezit is van het gevraagde faciliterend visum en verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 22/4070

uitspraak van de voorzieningenrechter van in de zaak tussen

[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1996, van Tunesische nationaliteit, verzoeker
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. G.G.A.J. Adang),
en

Het Ministerie van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. P. van Zijl).

Inleiding

Verzoeker heeft op 9 juni 2022 een aanvraag ingediend tot het verstrekken van een faciliterend visum op grond van richtlijn 2004/38/EG (richtlijn vrij verkeer).
Op 27 juni 2022 heeft verweerder aan verzoeker laten weten dat Nederland niet de bevoegde lidstaat is om op de aanvraag van verzoeker te beslissen en dat verzoeker de aanvraag moet indienen in België. Verzoeker heeft daartegen bezwaar gemaakt en tevens de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen gelet op de spoedeisendheid van zijn aanvraag. Op 16 juli 2022 zal verzoeker namelijk samen met zijn Franse partner en hun gezamenlijk kind naar België vliegen en vervolgens voor drie maanden in Nederland verblijven.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2022. Verzoeker en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Na afloop van de behandeling van de zaak heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan. De motivering van die uitspraak vermeldt de voorzieningenrechter hierna onder de beslissing.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek toe in die zin dat verzoeker wordt behandeld als ware hij in het bezit is van het gevraagde faciliterend visum;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.512,-.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan – onder meer – indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Verzoeker verzoekt de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening te treffen waarbij hij wordt behandeld als ware hij in het bezit is van het gevraagde visum.
3. Bij brief van 6 juli 2022 heeft verweerder medegedeeld zich niet te verzetten tegen toewijzing van de gevraagde voorziening, voor zover die zich richt op het behandelen van verzoeker als ware hij in het bezit is van het gevraagde visum.
4. Omdat verweerder zich niet verzet tegen het toewijzen van de voorlopige voorziening, wordt de gevraagde voorziening getroffen.
5. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.512,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 1).
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2022 door mr. A.A.M. Elzakkers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. Z.E.M. van der Maas, griffier.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift van dit proces-verbaal is aan de gemachtigde van verzoeker meegegeven op de zitting en verzonden aan verweerder op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.