ECLI:NL:RBDHA:2022:13445
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening voor faciliterend visum op grond van richtlijn vrij verkeer
Verzoeker, van Tunesische nationaliteit, heeft een aanvraag ingediend voor een faciliterend visum op grond van richtlijn 2004/38/EG. Verweerder heeft aangegeven dat Nederland niet de bevoegde lidstaat is en dat verzoeker de aanvraag in België moet indienen. Verzoeker maakte bezwaar en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening vanwege de spoedeisendheid, aangezien hij op 16 juli 2022 met zijn partner en kind naar België zou reizen en daarna drie maanden in Nederland zou verblijven.
Tijdens de zitting op 7 juli 2022 heeft verweerder verklaard zich niet te verzetten tegen de toewijzing van de voorlopige voorziening, voor zover verzoeker wordt behandeld alsof hij in het bezit is van het gevraagde visum. De voorzieningenrechter heeft daarop het verzoek toegewezen en verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten.
De uitspraak is gedaan in het openbaar en er staat geen rechtsmiddel tegen open. De proceskosten zijn vastgesteld op €1.512,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht voor professionele rechtsbijstand.
Uitkomst: Verzoeker wordt behandeld alsof hij in het bezit is van het gevraagde faciliterend visum en verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten.