AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen weigering vrijstelling Leerplichtwet
Eiser verzocht om een vrijstelling van de leerplicht voor zijn kinderen vanaf het schooljaar 2021. Verweerder, het college van burgemeester en wethouders van Westland, wees dit verzoek bij besluit van 16 april 2020 af. Het bezwaar van eiser werd bij besluit van 23 november 2020 ongegrond verklaard.
De rechtbank oordeelt dat de vrijstelling op grond van de Leerplichtwet geen besluit is in de zin van artikel 1:3 vanPro de Algemene wet bestuursrecht, waardoor het bezwaar niet-ontvankelijk is. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en voorziet zelf in de zaak.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten van eiser, vastgesteld op €397,50, en draagt verweerder op het betaalde griffierecht van €181,- aan eiser te vergoeden.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de weigering van de vrijstelling op grond van de Leerplichtwet is niet-ontvankelijk verklaard en het bestreden besluit is vernietigd.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 21/42
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 februari 2022 in de zaak tussen
[eiser] , te ' [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: drs. P.J. van Zuidam),
en
het college van burgemeester en wethouders van Westland, verweerder
(gemachtigde: mr. M.J. Boers).
Procesverloop
Bij besluiten van 16 april 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat zijn aanvraag, voor een vrijstelling van de verplichting om te zorgen dat zijn dochter [dochter] en zijn zoon [zoon] vanaf het schooljaar 2021 als leerling van een school/instelling staat ingeschreven, wordt afgewezen.
Bij besluit van 23 november 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben ermee ingestemd dat een zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. In het verweerschrift stelt verweerder dat het vaste rechtspraak [1] is dat de vrijstelling op grond de Leerplichtwet geen besluit is in de zin van artikel 1:3 vanPro de Algemene wet bestuursrecht en dat het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk is c.q. alsnog niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
2. De rechtbank onderschrijft dit standpunt en zal het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en zelf in de zaak voorzien.
3. Er is aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 397,50 (0,5 punt, met een waarde per punt van € 759,‑ en wegingsfactor 1) Gekozen is voor 0,5 punt omdat de gemachtigde van eiser nadat het beroepschrift was ingediend vanaf november 2021 bij de zaak is betrokken en geen nadere producties heeft ingediend).
Beslissing
De rechtbank
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
voorziet zelf in de zaak en verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 397,50;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 181,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Abdolbaghai, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2022.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Voetnoten
1.Uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 februari 2006 (ECLI:NL:RVS:2006:AV1825) en 18 maart 2009 (ECLI:ML:RVS:2009:BH6321).