ECLI:NL:RBDHA:2022:13543
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken gronden bij afwijzing verblijfsvergunning
Verzoeker diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid werd afgewezen bij besluit van 26 november 2021. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit primaire besluit, maar dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard bij besluit van 16 februari 2022. Hiertegen stelde verzoeker beroep in.
Verzoeker verzocht vervolgens de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen. Volgens de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet een verzoek om voorlopige voorziening de gronden bevatten waarom deze wordt gevraagd. Verzoeker diende echter geen gronden in, ondanks twee schriftelijke verzoeken van de voorzieningenrechter om dit alsnog te doen.
Omdat verzoeker niet reageerde, verklaarde de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk, wat betekent dat het verzoek niet inhoudelijk werd behandeld. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden.