ECLI:NL:RBDHA:2022:13549
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking faillissementsverzoek en veroordeling in proceskosten wegens ontbreken steunvordering
In deze zaak heeft [verzoeker01] B.V. een verzoek tot faillietverklaring ingediend tegen [verweerder01] B.V., waarbij zij stelde een vordering van € 222.763,89 te hebben. [verweerder01] betwistte het vorderingsrecht en voerde onder meer op dat zij een gezonde onderneming exploiteert en dat er geen sprake is van pluraliteit van schuldeisers. Tijdens de zitting verklaarden partijen zich bereid tot mediation, waarna [verzoeker01] het faillissementsverzoek introk.
De rechtbank oordeelde dat voor faillietverklaring een concrete, actuele steunvordering en faillissementstoestand moeten blijken. De door [verzoeker01] aangedragen jaarstukken uit 2018-2020 boden geen actueel bewijs van pluraliteit van schuldeisers. De financiële situatie per 31 december 2020 kon niet zonder meer worden vergeleken met de huidige toestand, en bijkomende omstandigheden die dit zouden ondersteunen, ontbraken.
Daarom werd geconcludeerd dat het verzoek niet kon slagen en [verzoeker01] als in het ongelijk gestelde partij moest worden aangemerkt. Gezien de intrekking van het verzoek en het ontbreken van een voldoende steunvordering, werd [verzoeker01] veroordeeld in de proceskosten van [verweerder01], begroot op € 1.126,-. Het beroep op misbruik van bevoegdheid door [verweerder01] werd niet behandeld wegens intrekking van het verzoek.
Uitkomst: Het faillissementsverzoek is ingetrokken en verzoeker is veroordeeld in de proceskosten.