ECLI:NL:RBDHA:2022:13556
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielverzoek wegens ongeloofwaardige toedracht ongeluk en inconsistenties in verklaring
Eiser, van Ivoriaanse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel na een incident waarbij de zoon van zijn baas om het leven kwam. Hij stelde dat hij verantwoordelijk werd gehouden voor het ongeluk, waardoor hij moest vluchten uit Ivoorkust. De staatssecretaris wees de aanvraag af wegens gebrek aan geloofwaardigheid.
De rechtbank onderzocht de geloofwaardigheid van eisers asielrelaas, met name zijn wisselende verklaringen over de toedracht van het ongeluk en het moment waarop hij de zoon aantrof. Ook werd het geboortejaar van eiser betwist, waarbij verweerder uitging van 1996 en eiser stelde dat dit 2003 moest zijn. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht uitging van het geboortejaar 1996 op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en de informatie van Italiaanse autoriteiten.
De rechtbank concludeerde dat de wisselende en tegenstrijdige verklaringen van eiser over het ongeluk en de locatie waar hij de zoon aantrof, de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas ondermijnen. Hoewel sommige correcties van eiser niet zijn gevolgd, werd het standpunt over het moment van overlijden van de zoon niet langer als ongeloofwaardig beschouwd. Gezien het geheel was de rechtbank van oordeel dat het beroep ongegrond is en bevestigde zij de afwijzing van de asielaanvraag.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard vanwege onvoldoende geloofwaardigheid van het asielrelaas.