Een tien weken oude baby is meerdere malen slachtoffer van botbreuken, die volgens het Landelijk Expertise Centrum Kindermishandeling (LECK) bij ten minste twee verschillende incidenten zijn ontstaan. De ouders kunnen geen verklaring geven voor het letsel, en een onderliggende botziekte wordt als onwaarschijnlijk beschouwd. Hierdoor bestaat het vermoeden van toegebracht letsel, wat de acute veiligheid van de baby in het ouderlijk huis in gevaar brengt.
De Raad voor de Kinderbescherming verzoekt daarom voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing voor drie maanden om de veiligheid van de baby te waarborgen. De kinderrechter wijst de ondertoezichtstelling toe en machtigt uithuisplaatsing, maar voor een kortere duur dan verzocht, tot 15 januari 2023. De ouders verzetten zich tegen de uithuisplaatsing en stellen dat eerst minder ingrijpende maatregelen hadden moeten worden ingezet, zoals hulpverlening in de thuissituatie of plaatsing binnen het netwerk.
De kinderrechter oordeelt dat gezien de zeer jonge leeftijd van het kind en de onduidelijkheid over de oorzaak van het letsel, uithuisplaatsing noodzakelijk is. Er wordt een jeugdbeschermer betrokken om toezicht te houden en hulpverlening in te zetten. De situatie wordt over zes weken opnieuw beoordeeld om te bepalen of terugplaatsing mogelijk is. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en kan door de betrokken partijen binnen drie maanden worden aangevochten.