ECLI:NL:RBDHA:2022:13801
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende aannemelijkheid van vrees voor adoptievader in Gambia
Eiser, met de Gambiaanse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel vanwege zijn vrees voor zijn adoptievader na het verkopen van diens compound. Verweerder wees de aanvraag af wegens onvoldoende aannemelijkheid van de gevreesde dreiging. De rechtbank oordeelt dat hoewel de identiteit en problemen met de adoptievader geloofwaardig zijn, de vrees niet aannemelijk is gemaakt. Eiser baseert zijn vrees op vermoedens, heeft Gambia ruim zeven jaar geleden verlaten en kan niet aantonen dat zijn adoptievader hem nog actief zoekt.
Daarnaast is onvoldoende onderbouwd dat eiser onrechtmatig is gedetineerd op een militaire basis; de omstandigheden van de detentie rechtvaardigen dit oordeel niet. De rechtbank stelt dat het aan eiser is om een reëel risico op gevaar vanuit de Gambiaanse autoriteiten aannemelijk te maken, hetgeen niet is gelukt. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na bekendmaking.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijkheid van de gevreesde dreiging.