ECLI:NL:RBDHA:2022:13828
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende geloofwaardigheid van vrees voor vervolging in Egypte
Eiser, een Egyptische nationaliteit, diende een asielaanvraag in op grond van vermeende bedreigingen door een gepensioneerde politiegeneraal die hem zou willen gevangen zetten vanwege beschuldigingen van oplichting. De staatssecretaris wees de aanvraag af wegens onvoldoende geloofwaardigheid van de verklaringen over de politiegeneraal en het vermeende risico.
De rechtbank oordeelde dat eiser summier en oppervlakkig had verklaard over de politiegeneraal, terwijl hij wel details over diens paspoort kon geven. Tevens was onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de gepensioneerde generaal nog invloedrijk genoeg is om eiser te laten opsluiten. Inconsistenties in de verklaringen over OM-certificaten en het ontbreken van bewijs voor een uitreisverbod versterkten het oordeel.
Eiser voerde aan dat de macht van de generaal via diens zoon voortduurt en dat hij niet eerder over het uitreisverbod had verklaard omdat hier niet naar was gevraagd. De rechtbank verwierp deze argumenten en concludeerde dat de vrees voor schending van artikel 3 EVRM Pro niet aannemelijk was gemaakt.
Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser werd niet in het gelijk gesteld. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.