ECLI:NL:RBDHA:2022:13971
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatig verblijf en vertrektermijn op grond van Unierecht en Vreemdelingenwet
Eiser, een Poolse nationaliteit dragende persoon, werd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid geconfronteerd met een besluit dat hij geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft op grond van het Unierecht. De staatssecretaris stelde dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf, omdat hij niet werkt, geen zelfstandige is, niet studeert en niet over voldoende middelen beschikt. Tevens werd een vertrektermijn van een maand opgelegd, in afwijking van het primaire besluit waarin 28 dagen was vermeld.
Eiser voerde aan dat hij wel affiniteit met de Nederlandse arbeidsmarkt heeft, onder meer door werk via een uitzendbureau, en dat de vertrektermijn onterecht is vastgesteld. Ook stelde hij dat de staatssecretaris onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn belangen, waaronder het afwikkelen van een uitkering. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf en dat het onderzoek via Suwinet en de justitiële documentatie dit ondersteunen.
De rechtbank verwierp de stellingen van eiser over de vertrektermijn en het gebrek aan motivering, waarbij werd vastgesteld dat de foutieve termijn in het primaire besluit in het bestreden besluit is hersteld en dat eiser niet in zijn belangen is geschaad. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van connexiteit.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.