De zaak betreft een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige geboren in 2021. De zorgen betreffen de gezondheid en ontwikkeling van het kind, blootstelling aan een sterk vervuilde woning, verwaarlozing, onvoldoende voeding en kwetsbaarheid van de moeder die afhankelijk is van de oma. De moeder en oma stonden aanvankelijk niet open voor hulpverlening, maar de moeder gaf tijdens de zitting aan mee te willen werken aan plaatsing in een moederkind-huis.
De kinderrechter nam kennis van het verzoekschrift, bijlagen en de verhoren. De gecertificeerde instelling bevestigde de ernst van de situatie en het gebrek aan verbetering in de thuissituatie. De moeder voerde verweer dat de situatie incidenteel was en dat zij bereid was tot medewerking, met nadruk op het belang van de hechtingsrelatie met het kind.
De kinderrechter oordeelde dat de gronden voor voorlopige ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing aanwezig zijn, gelet op de ernstige zorgen over de gezondheid en ontwikkeling van het kind, de onveilige en vervuilde woonomgeving, en het patroon van verwaarlozing. De maatregel is noodzakelijk om het kind in een veilige omgeving te laten verblijven totdat nader onderzoek is afgerond. De beschikking tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing geldt tot 3 februari 2023.