Vergunninghoudster exploiteert een inrichting voor ferro- en non-ferro afvalrecycling en vroeg een omgevingsvergunning aan voor uitbreiding van haar activiteiten, waaronder assemblage en verwerking van materialen met NORM. Verweerder verleende de vergunning voor milieuactiviteiten, maar stelde dat de activiteiten binnen het bestemmingsplan passen.
Eisers, nabijgelegen bedrijven, stelden dat de activiteiten feitelijk radioactief afval verwerken en daardoor niet binnen milieucategorie 5.1 van het bestemmingsplan vallen, maar in milieucategorie 6. De rechtbank oordeelde dat de feitelijke werkzaamheden inderdaad verwerking van radioactief afval betreffen, mede gelet op een kernenergiewetvergunning en eerdere jurisprudentie.
De rechtbank vernietigde het besluit omdat verweerder ten onrechte aannam dat de activiteiten binnen het bestemmingsplan passen en onvoldoende motiveerde. Ten aanzien van de milieueffectrapportage was geen formele m.e.r.-beoordelingsplicht, omdat drempelwaarden niet werden overschreden en verweerder voldoende had voldaan aan de vergewisplicht dat geen belangrijke milieugevolgen te verwachten waren.
De rechtbank veroordeelde verweerder tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eisers en droeg op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.