ECLI:NL:RBDHA:2022:14130
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot opheffing conservatoir beslag op appartement in geschil over eigendom
In deze zaak staat centraal wie de eigenaar is van een appartement dat onderdeel uitmaakt van een complexe gemeenschap van goederen en diverse procedures. [Eiser] en [gedaagde], neef van [eiser], zijn betrokken bij een langdurig geschil over de eigendom en levering van het appartement, waarbij eerdere vonnissen en arrest de nietigheid van een levering in 2009 hebben vastgesteld wegens gebrek aan toestemming van de ex-echtgenote van [eiser].
[Eiser] heeft het appartement in 2022 namens [gedaagde] verkocht aan een derde, [de koper], maar [gedaagde] heeft conservatoir beslag laten leggen op het appartement en aanverwante zaken vanwege een geschil over eigendom en nakoming van de koopovereenkomst. [Eiser] vordert in kort geding opheffing van dit beslag, stellende dat de vordering van [gedaagde] ondeugdelijk is en het beslag onnodig.
De voorzieningenrechter overweegt dat het eigendomsgeschil en de vraag of de nietige levering is bekrachtigd, complex zijn en in de bodemprocedure moeten worden beoordeeld. Er is onvoldoende reden om summierlijk aan te nemen dat de vordering van [gedaagde] ondeugdelijk is of dat het beslag onnodig is. Ook de subsidiaire vorderingen van [eiser] tot het stellen van vervangende zekerheid worden afgewezen, omdat hij niet bereid is zekerheid te stellen voor het door [gedaagde] gevorderde bedrag.
De rechtbank wijst de vorderingen van [eiser] af en veroordeelt hem in de proceskosten. De beslissing bevestigt het belang van het beslag als zekerheid voor de vorderingen van [gedaagde] in de lopende bodemprocedure.
Uitkomst: De vordering tot opheffing van het conservatoir beslag wordt afgewezen en het beslag blijft gehandhaafd.