ECLI:NL:RBDHA:2022:1423
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.F.Th. de Roos
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende bewijs schijnscheiding
Eiser, een Syrische asielzoeker, kreeg in 2015 een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, die later werd ingetrokken omdat hij de nationaliteit van zijn ex-echtgenote, die Marokkaans is, had verzwegen. Verweerder baseerde het intrekkingsbesluit mede op een individueel ambtsbericht van de MIVD, waarin werd gesteld dat eiser een schijnscheiding had gepleegd om zijn verblijfsrecht te behouden.
De rechtbank onderzocht of verweerder bevoegd was het ambtsbericht te gebruiken en oordeelde dat dit het geval was. Vervolgens stelde de rechtbank vast dat verweerder onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake was van een schijnscheiding. Het ambtsbericht was onvoldoende inzichtelijk en de informatie waarop het was gebaseerd was onbetrouwbaar. Ook de verklaringen van eiser tijdens het intrekkingsgehoor boden geen voldoende grond.
Daarmee kon verweerder niet aantonen dat eiser toegang tot Marokko had als echtgenoot, wat nodig is voor de intrekkingsgrond. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en beval verweerder opnieuw te beslissen over de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd; verweerder moet opnieuw beslissen over de aanvraag verblijfsvergunning.