ECLI:NL:RBDHA:2022:14242

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 april 2022
Publicatiedatum
28 december 2022
Zaaknummer
22_1489
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:82 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens niet-tijdige betaling griffierecht

Verzoeker heeft een verzoek om voorlopige voorziening ingediend tegen een besluit van de burgemeester en wethouders van Gouda van 14 december 2021. Na ontvangst van het verzoek is verzoeker bij aangetekende brief op 4 maart 2022 geïnformeerd dat het griffierecht van €184,- binnen twee weken betaald moest worden. De griffierechtnota is op 8 maart 2022 bezorgd bij de gemachtigde van verzoeker.

Verzoeker heeft het griffierecht niet of niet tijdig betaald. Volgens artikel 8:82 in Pro samenhang met artikel 8:41 van Pro de Algemene wet bestuursrecht moet griffierecht worden betaald om ontvankelijk te zijn. Omdat het niet betalen van het griffierecht niet aan de rechter kan worden toegerekend, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan zonder zitting op 22 april 2022 door de voorzieningenrechter A.M.H. van der Poort-Schoenmakers, in aanwezigheid van griffier B.P.C. Vonck. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-tijdige betaling van het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/1489

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 april 2022 in de zaak tussen

[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. S. Karkache),
en

de burgemeester en wethouders van Gouda, verweerder.

Procesverloop

De gemachtigde van verzoeker heeft zich tot de voorzieningenrechter gewend met een verzoek om een voorlopige voorziening ten aanzien van het besluit van verweerder van
14 december 2021. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Bij aangetekende brief van 4 maart 2022 is verzoeker meegedeeld dat hij griffierecht moet betalen (de nota). Uit informatie van PostNL is gebleken dat de nota op 8 maart 2022 op het adres van de gemachtigde van verzoeker is bezorgd.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet op grond van artikel 8:82 in Pro samenhang met 8:41 van de Awb griffierecht betalen. Voor deze zaak is het griffierecht vastgesteld op € 184,-. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht betrokkene niet kan worden toegerekend.
3. Bij brief van 4 maart 2022 is verzoeker in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen. In deze nota is verzoeker er op gewezen dat het griffierecht binnen twee weken moet zijn betaald en dat anders het verzoek niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Verzoeker heeft het griffierecht niet (tijdig) betaald. Dat dit verzoeker niet is toe te rekenen, is niet gebleken.
4. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening
niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B.P.C. Vonck, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 april 2022.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.