ECLI:NL:RBDHA:2022:14324
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting in vreemdelingenrechtelijke zaak
Verzoeker had een aanvraag tot verblijfsvergunning regulier onder de beperking 'verblijf bij familie- of gezinslid' ingediend, welke door verweerder op 15 april 2021 werd afgewezen. Het bezwaar van verzoeker tegen deze afwijzing werd op 15 maart 2022 eveneens ongegrond verklaard. Hiertegen stelde verzoeker beroep in en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
Verweerder vroeg om aanhouding van de behandeling van het beroep om eerst een hoorzitting te kunnen houden en een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen. Verweerder verzette zich niet tegen het verzoek om voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker geen rechtmatig verblijf heeft en uitgezet kan worden, maar dat uitzetting op dit moment moet worden verboden. De voorlopige voorziening wordt daarom toegewezen, waarbij uitzetting wordt verboden tot vier weken na de beslissing op het beroep. Het beroep wordt aangehouden totdat verweerder een hoorzitting heeft gehouden en een nieuwe beslissing heeft genomen. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: De uitzetting van verzoeker wordt verboden tot vier weken na de beslissing op het beroep.