Eiser maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag BPM die was gebaseerd op een waardebepaling van een Mercedes-Benz Vito, waarbij een waardevermindering wegens ontbrekende onderdelen was toegepast. De inspecteur had een waardevermindering van 10% op de Eurotaxglass’s koerslijst gehanteerd, terwijl eiser een hogere waardevermindering betoogde.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende bewijs leverde om aan te tonen dat de toegepaste waardevermindering te laag was. De deskundige van Domeinen Roerende Zaken (DRZ) werd als partijdeskundige beschouwd en diens rapport werd als voldoende gemotiveerd gezien. De rechtbank verwierp ook het standpunt van eiser dat prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU gesteld moesten worden en dat de naheffing in strijd was met EU-recht.
Daarnaast werd vastgesteld dat de inspecteur het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel had nageleefd door eiser voorafgaand aan de naheffing te informeren en gelegenheid te geven zich uit te laten. De rechtbank kende eiser een vergoeding van immateriële schade toe wegens overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar- en beroepsfase, evenals een proceskostenvergoeding en vergoeding van het griffierecht.
Het beroep werd ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag bleef in stand, met vermindering conform de uitspraak op bezwaar. De uitspraak werd gedaan door rechter G.J. Ebbeling op 21 december 2022.