ECLI:NL:RBDHA:2022:14341

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 december 2022
Publicatiedatum
2 januari 2023
Zaaknummer
21_8067
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 110 VWEUArt. 20 Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 16a Wet BPMArt. 8 Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992Art. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen naheffingsaanslag BPM op basis van CO2-uitstoot en waardering auto

Eiser maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag BPM die was gebaseerd op een hogere CO2-uitstoot en een hogere handelsinkoopwaarde van zijn Audi A3 dan door hem gesteld. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende bewijs leverde om aan te tonen dat de CO2-uitstoot lager was dan de gehanteerde 197 gr/km, mede omdat de door eiser overgelegde Audi-verklaring betrekking had op een ander voertuig.

Daarnaast stelde eiser dat een waardevermindering wegens schade moest worden toegepast, maar de rechtbank vond dat verweerder met het rapport van Domeinen Roerende Zaken (DRZ) voldoende had gemotiveerd dat er geen sprake was van meer dan normale gebruikssporen. Eiser kon ook zijn nieuwe waardering niet onderbouwen.

De rechtbank wees het beroep af en oordeelde dat de naheffingsaanslag terecht was vastgesteld. Tevens werd geoordeeld dat de rechtbank niet verplicht was prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie en dat het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel niet verder strekte dan de mogelijkheid om zich uit te laten over de naheffingsaanslag.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en de uitspraak werd gedaan door rechter G.J. Ebbeling op 21 december 2022.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 21/8067
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 december 2022 in de zaak tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 11 november 2021 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser opgelegde naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft via een videoverbinding plaatsgevonden op 7 december 2022.
Namens eiser heeft zijn gemachtigde daaraan deelgenomen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [A] en [B].

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Eiser heeft op aangifte een bedrag van € 103 aan Bpm voldaan ter zake van de registratie van Audi A3 (de auto). De verschuldigde Bpm is berekend aan de hand van een taxatierapport van Duin expertise (het taxatierapport). Daarin is uitgegaan van een CO2-uitstoot van 197 gr/km. Rekening houdend met een waardevermindering wegens schade bedraagt de handelsinkoopwaarde van de auto volgens het rapport € 320.
2. De auto is op 22 mei 2020 geschouwd door Domeinen Roerende Zaken (DRZ). In het door DRZ opgestelde rapport is uitgegaan van een handelsinkoopwaarde van € 17.533. Deze waarde in gebaseerd op de Xray-marge koerslijst. DRZ heeft geen schade aan de auto vastgesteld anders dan normale gebruikssporen.
3. Bij de naheffingsaanslag is verweerder uitgegaan van de bevindingen van DRZ en heeft hij de verschuldigde belasting berekend op basis van de forfaitaire afschrijvingstabel. De nageheven Bpm bedraagt € 8.278.
4. Bij de bestreden uitspraak op bezwaar is de naheffingsaanslag verminderd tot € 6.931. Daarbij is extra leeftijdskorting toegekend en is artikel 16a van de Wet Bpm toegepast.
5. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en, na de uitspraak op bezwaar, naar een juist bedrag is vastgesteld.
6. Eiser stelt dat de rechtbank niet bevoegd is het Unierecht uit te leggen zodat – mocht de rechtbank overwegen ten nadele van eiser te beslissen – de rechtbank eerst prejudiciële vragen moet stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU). De rechtbank volgt eiser niet in deze stelling. De rechtbank is niet verplicht tot het stellen van prejudiciële vragen. De rechtbank ziet in al hetgeen eiser heeft aangevoerd ook geen reden om prejudiciële vragen aan het HvJ EU te stellen.
7. Eiser stelt dat naheffen na het belastbaar feit in strijd is met artikel 110 van Pro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), omdat binnenlandse gebruikte voertuigen van een dergelijke belasting/modaliteit zijn uitgesloten. De rechtbank volgt eiser daarin niet. De Bpm wordt verschuldigd ter zake van de registratie van een auto in het kentekenregister en moet op aangifte worden voldaan. Dat geldt voor iedere auto, ongeacht de herkomst daarvan. Indien belasting die op aangifte moet worden voldaan geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur op grond van artikel 20 van Pro de algemene wet inzake rijksbelastingen de te weinig geheven belasting naheffen. Nu derhalve in alle gevallen van registratie van voertuigen te weinig betaalde belasting kan worden nageheven, is geen sprake van schending van artikel 110 VWEU Pro.
8. Het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel strekt niet verder dan dat degene aan wie een naheffingsaanslag zal worden opgelegd, zijn opmerkingen daarover kenbaar kan maken alvorens daadwerkelijk wordt overgegaan tot naheffing. Er is geen rechtsregel die verweerder verplicht de betrokkene daarvoor expliciet uit te nodigen voor een gesprek. Dit volgt ook niet uit het door eiser aangehaalde artikel 47 van Pro het Handvest. Verweerder heeft eiser bij brief van 16 maart 2021 op de hoogte gesteld van zijn voornemen om een naheffingsaanslag op te leggen en daarbij vermeld hoe hoog die naheffingsaanslag zal bedragen en hoe deze is berekend. In die brief wordt eiser de gelegenheid geboden zich hierover uit te laten. Aldus heeft verweerder gehandeld overeenkomstig het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel.
9. In het kader van deze procedure beschouwt de rechtbank de taxateur van DRZ als een partijdeskundige, omdat hij door verweerder is aangezocht om een oordeel te geven over de waarde van de auto. Het staat verweerder vrij een deskundige van zijn keuze in te schakelen. Het bepaalde in artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (de Uitvoeringsregeling) staat daar niet aan in de weg, omdat dit betrekking heeft op een door de belastingplichtige in te schakelen taxateur. Dat betekent dat verweerder mag en kan kiezen voor de onder het Ministerie van Financiën vallende DRZ. De door eiser aangehaalde jurisprudentie over de Europese aanbestedingsregels leidt niet tot een ander oordeel.
10. Eiser heeft, onder verwijzing naar een tot de stukken van het geding behorende door Audi afgegeven “Ubereinstimmungsbescheinigung” (de Audi-verklaring), gesteld dat de CO2-uistoot van de auto niet meer bedraagt dan 129 gr/km. De rechtbank ziet geen aanleiding om van een lagere uitstoot uit te gaan dan de 197 gr/km die in de aangifte is vermeld. Aan de Audi-verklaring kan geen bewijskracht worden ontleend nu deze betrekking heeft op een ander voertuig en door eiser niet aannemelijk is gemaakt dat de genoemde uitstoot ook betrekking heeft op de auto van eiser. De enkele omstandigheid dat de in de Audi-verklaring genoemde auto, zoals eiser stelt, net als de auto voor de Amerikaanse markt is geproduceerd, is daartoe onvoldoende.
11. Het is aan eiser om de schade aannemelijk te maken én dat de volledige schadecalculatie in aftrek moet worden gebracht op de handelsinkoopwaarde. Met het rapport van DRZ heeft verweerder de conclusies uit het taxatierapport voldoende gemotiveerd weersproken. Nu de naheffingsaanslag is gebaseerd op de forfaitaire afschrijvingstabel, behoeven de stellingen van eiser over de 72%-norm voor de aftrek van schade geen behandeling.
12. Eiser heeft pas in een kort voor de zitting ingediende pleitnota gesteld dat de handelsinkoopwaarde moet worden gesteld op € 15.041, ofwel de handelsinkoopwaarde volgens de Eurotaxglass’s koerslijst minus 15%. Hij heeft dit niet nader onderbouwd zodat de rechtbank geen aanleiding ziet eiser in deze stelling te volgen. [1]
13. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.
14. Eiser heeft aangevoerd dat het in strijd is met het Unierecht om vooraf griffierecht te moeten betalen. Het bepaalde in artikel 6 van Pro het EVRM en artikel 47 van Pro het Handvest verzet zich uitsluitend tegen de heffing van griffierecht indien dit een wezenlijke belemmering tot de toegang tot de rechter vormt. [2] Eiser heeft geen beroep op betalingsonmacht gedaan, zodat niet aannemelijk is dat daarvan sprake is. Ook anderszins is dit niet gebleken.
15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 december 2022.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,
2500 EH Den Haag.

Voetnoten

1.Zie Gerechtshof Den Haag 22 december 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:2638
2.Vgl EHRM 20 december 2007, nr. 21638/03, Paykar Yev Haghtanak Ltd tegen Armenië, ECLI:CE:ECHR:2007:1220JUD002163803