Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[verzoekster] , verzoekster
[A],
Rechtbank Den Haag
Verzoekster, een vrouw van Syrische nationaliteit, heeft samen met haar dochter een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft deze aanvraag bij besluit van 23 mei 2022 afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoekster heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en tevens een voorlopige voorziening gevraagd.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening behandeld samen met andere gerelateerde zaken. Tijdens de zitting waren verzoekster, haar gemachtigde en haar dochters aanwezig, evenals de gemachtigde van de verweerder. Na afweging oordeelt de voorzieningenrechter dat een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk is, omdat de rechtbank op dezelfde dag uitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak.
Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Tevens is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is openbaar en definitief, hoger beroep of verzet is uitgesloten.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de hoofdzaak is beslist.