De rechtbank Den Haag heeft op 22 december 2022 een beschikking gegeven tot voorlopige ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen, geboren in 2021 en 2022, naar aanleiding van een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming. De aanleiding was ernstig letsel bij de jongste minderjarige, waarbij medisch werd vastgesteld dat het letsel waarschijnlijk toegebracht was en niet accidenteel of door ziekte.
De Raad stelde veiligheidsafspraken op met de ouders en grootmoeder, waaronder een vierogenbeleid, en vond een uithuisplaatsing niet noodzakelijk. Wel achtte de Raad het noodzakelijk dat een jeugdbeschermer betrokken bleef om zicht te houden op de thuissituatie en de opvoedomgeving, en om hulpverlening in te zetten. Ook de veiligheid van de oudste minderjarige moest worden gewaarborgd.
De ouders stonden open voor hulpverlening maar verzochten de voorlopige ondertoezichtstelling voor de oudste minderjarige te beëindigen. De kinderrechter oordeelde dat het dringend noodzakelijk was de ondertoezichtstelling voort te zetten vanwege de ernstige zorgen over het letsel en de onduidelijkheid over de toedracht daarvan. Tevens werd besloten de ouders geen inzage te geven in aanvullende informatie van de Raad om de persoonlijke levenssfeer en veiligheid van de jongste minderjarige te beschermen.
De beschikking werd mondeling gegeven en schriftelijk vastgesteld op 4 januari 2023. De voorlopige ondertoezichtstelling geldt van 23 december 2022 tot 14 maart 2023, waarbij de Stichting Jeugdbescherming West Zuid-Holland toezicht houdt.