ECLI:NL:RBDHA:2022:14531
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verblijfsvergunning kennismigrant en verblijfsgat niet toerekenbaar aan eiser
Eiser, een Braziliaanse kennismigrant, had een verblijfsvergunning regulier die afliep op 1 november 2020. Zijn nieuwe werkgever diende op 6 november 2020 een aanvraag tot verlenging in, die werd toegekend met ingang van 23 november 2020, waardoor een verblijfsgat ontstond.
De Staatssecretaris wees het bezwaar van eiser af, stellende dat de aanvraag te laat was ingediend en dat het verblijfsgat voor rekening en risico van eiser kwam. Eiser voerde aan dat de coronapandemie de vertraging veroorzaakte en dat beleidsregels zoals een zoekperiode van drie maanden en het Informatiebericht 2022/39 op hem van toepassing zouden moeten zijn.
De rechtbank oordeelde dat eiser pas op 23 november 2020 aan de voorwaarden voldeed en dat de wettelijke regeling van artikel 26 Vreemdelingenwet Pro geen ruimte biedt voor een eerdere verlenging. Het beroep op het gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel faalde omdat artikel 26 een Pro formeel wettelijk voorschrift is dat niet aan die beginselen kan worden getoetst.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond wegens onvoldoende motivering in het bestreden besluit, vernietigde dit besluit, maar handhaafde de rechtsgevolgen, waaronder de ingangsdatum van 23 november 2020. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, maar de ingangsdatum van de verblijfsvergunning blijft 23 november 2020.