Eisers, van Nigeriaanse nationaliteit, werden op 27 juli 2022 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000. Zij stelden beroep in tegen deze maatregel en verzochten tevens om schadevergoeding. De bewaring werd op 3 augustus 2022 opgeheven, waarna de rechtbank op 8 augustus 2022 de beroepen behandelde.
De rechtbank beperkte haar beoordeling tot de vraag of de tenuitvoerlegging van de bewaring onrechtmatig was en of schadevergoeding toekwam. Eisers voerden aan dat een lichter middel dan bewaring, zoals plaatsing in een vrijheidsbeperkende locatie, passend was geweest. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht had vastgesteld dat geen minder dwingende maatregel doeltreffend was, mede omdat eisers niet meewerkten aan hun overdracht en terugkeer.
De rechtbank concludeerde dat het gevaar voor onttrekking aanwezig was en dat eerdere lichtere maatregelen niet hadden geleid tot medewerking. Omdat eisers de feiten niet bestreden, werden de beroepen ongegrond verklaard en de verzoeken om schadevergoeding afgewezen.