ECLI:NL:RBDHA:2022:14645
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende bewijs tijdige terugkeer
Eiser, een Guinese nationaliteit, vroeg op 7 december 2021 een visum voor kort verblijf aan om familie in Nederland te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af omdat eiser onvoldoende aannemelijk maakte dat hij tijdig zou terugkeren en onvoldoende bewijs leverde van zijn sociale en economische binding met Guinee.
In bezwaar handhaafde de minister dit besluit en voerde aanvullend aan dat eiser onvoldoende aantoonde over voldoende middelen van bestaan te beschikken. Eiser stelde dat hij met werkgeversverklaringen en andere documenten het doel en de omstandigheden van zijn verblijf en zijn binding met Guinee had aangetoond.
De rechtbank oordeelde dat de minister in redelijkheid tot zijn besluit kon komen. Eiser had onvoldoende bewijs geleverd van een duurzame relatie, een regelmatig inkomen of andere zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen die zijn terugkeer zouden garanderen. Ook was het bezwaar hoofdzakelijk een herhaling van eerdere stellingen, waardoor het terecht als kennelijk ongegrond werd afgewezen zonder hoorzitting.
De rechtbank wees het beroep af en bepaalde dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag kort verblijf wordt ongegrond verklaard.