Verzoekster, geboren in 1966, ontving verplichte zorg op grond van een zorgmachtiging die liep tot 18 november 2022. Na haar verzoek tot beëindiging van deze zorg op 24 mei 2022, bevestigde de geneesheer-directeur dat de verplichte zorg per 27 mei 2022 was beëindigd, maar dat niet alle vormen van zorg konden worden beëindigd. Verzoekster vroeg vervolgens de officier van justitie om een verzoek tot beëindiging van de zorgmachtiging in te dienen bij de rechtbank, maar dit verzoek werd niet tijdig ingediend.
De rechtbank oordeelde dat de brief van de geneesheer-directeur als een afwijzing of niet tijdige beslissing moest worden gezien, waardoor de officier van justitie verplicht was het verzoek onverwijld, binnen zeven dagen, bij de rechtbank in te dienen. Dit gebeurde niet, waardoor de officier vanaf 25 augustus 2022 in verzuim was tot het uiteindelijke oordeel van de rechtbank op 21 oktober 2022.
Hoewel verzoekster geen daadwerkelijke verplichte zorg meer onderging na 27 mei 2022 en de beperkingen die zij ervoer voortkwamen uit huisregels van het terrein, erkende de rechtbank dat de termijnoverschrijding haar onterecht beperkte in haar mogelijkheid om het geschil aan de rechtbank voor te leggen. Dit leidde tot verwarring, spanning en stress.
Gezien de aard van de normoverschrijding en de geleden immateriële schade, stelde de rechtbank een billijke schadevergoeding vast van €5 per dag verzuim, totaal €285. De Staat werd veroordeeld tot betaling van dit bedrag, met afwijzing van overige vorderingen.