ECLI:NL:RBDHA:2022:14684

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 juli 2022
Publicatiedatum
16 januari 2023
Zaaknummer
NL22.13361
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 96 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring beroep tegen voortzetting maatregel van bewaring vreemdeling

Eiser, een Tunesische vreemdeling, is sinds 3 mei 2022 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep inhoudelijk beoordeeld zonder zitting.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de maatregel tot 16 mei 2022 rechtmatig was en richt zich daarom op de rechtmatigheid van de bewaring vanaf die datum. Eiser betoogt dat er geen concreet vooruitzicht is op zijn verwijdering naar Tunesië, terwijl verweerder een vlucht op 23 juli heeft geboekt. De rechtbank oordeelt dat uit het dossier blijkt dat een concrete vlucht is geboekt en dat eiser hiervan op 15 juli is geïnformeerd.

Daarnaast acht de rechtbank de vrees gerechtvaardigd dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, waardoor de maatregel van bewaring passend blijft. Het enkele feit dat eiser medewerking wil verlenen aan verwijdering leidt niet tot een ander oordeel. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht zaaknummer: NL22.13361
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. M. Lorier).

Procesverloop

Verweerder heeft op 3 mei 2022 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. Vervolgens heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Tunesische nationaliteit en is geboren op [1999] .
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 18 mei 2022 (in de zaak NL22.7879) volgt dat de maatregel van bewaring tot 16 mei 2022, het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, alleen ter beoordeling of sinds 16 mei 2022 de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiser stelt dat er geen redelijk vooruitzicht op zijn verwijdering naar Tunesië is. Weliswaar verwacht verweerder dat zijn verwijdering op 23 juli a.s. zal plaatsvinden, maar er is niet gebleken dat hiertoe een concrete vlucht is geboekt. Verder stelt hij dat een belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen, omdat er geen risico is dat hij zich aan het toezicht op vreemdelingen zal onttrekken. Hij heeft immers duidelijk gemaakt mee te willen werken aan zijn verwijdering naar Tunesië. Daarbij bevindt eiser zich al ruim tweeënhalve maand in bewaring en is verweerder er nog niet in geslaagd om hem te verwijderen.
5. De rechtbank overweegt als volgt. Anders dan eiser stelt, blijkt uit het dossier wel van een concreet geboekte vlucht op 23 juli a.s.. Eiser is hiervan op 15 juli 2022 in kennis gesteld en de vluchtgegevens zijn hem toen ook overhandigd. De beroepsgrond dat het zicht op zijn verwijdering ontbreekt, treft dus geen doel. De rechtbank overweegt voorts dat de gronden van de maatregel de vrees rechtvaardigen dat eiser zich aan het toezicht op vreemdelingen zal onttrekken. Om die reden heeft verweerder niet hoeven volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van bewaring. In de enkele verklaring van eiser dat hij inmiddels medewerking wil verlenen aan zijn verwijdering, heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om een ander standpunt in te nemen.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van
K.F.K. Hoogbruin, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
20 juli 2022

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.