ECLI:NL:RBDHA:2022:14695
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag Gambiaanse asielzoeker wegens ontbreken gegronde vrees voor vervolging
Eiser, een Gambiaanse asielzoeker, diende op 26 februari 2021 een asielaanvraag in in Nederland nadat België op grond van de Dublinverordening aanvankelijk verantwoordelijk was voor zijn aanvraag. De aanvraag werd afgewezen omdat eiser niet aannemelijk kon maken dat hij door discriminatie of vervolging in Gambia ernstig beperkt zou zijn in zijn maatschappelijke functioneren.
De rechtbank oordeelde dat hoewel eiser geloofwaardig was over zijn nationaliteit en afkomst, zijn wisselende verklaringen over identiteit deels ongeloofwaardig waren. De ervaren discriminatie bestond uit beledigingen en opmerkingen over zijn vermeende nationaliteit, maar dit was niet ernstig genoeg om te spreken van vervolging die hem onmogelijk maakt te functioneren.
Eiser voerde aan dat hij geen identiteitsdocumenten kan verkrijgen en daardoor bij terugkeer meer problemen zal ondervinden, maar dit werd onvoldoende onderbouwd. Verweerder had terecht geoordeeld dat eiser onvoldoende had aangetoond waarom zijn situatie als volwassene zou verslechteren.
De rechtbank concludeerde dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van de Vreemdelingenwet 2000 en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag is ongegrond verklaard omdat geen gegronde vrees voor vervolging is aangetoond.