ECLI:NL:RBDHA:2022:14701
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij intrekking verblijfsvergunning familie- of gezinslid
Verzoekster had een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als familie- of gezinslid bij een referent. Deze vergunning werd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid ingetrokken met ingang van 21 februari 2021. Verzoekster maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard. Vervolgens stelde verzoekster beroep in tegen het bestreden besluit en verzocht zij de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter overwoog dat er bij uitspraak van dezelfde dag in een gerelateerde zaak (zaaknummer NL22.417) al een beslissing was genomen op het beroep. Hierdoor was een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan zonder zitting en is uitgesproken in het openbaar op 8 september 2022. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de hoofdzaak reeds is beslist.